Onderweg naar Bagdad: koorddansen voor Amerikaanse en Iraanse diplomaten

Op 23 mei aanstaande hervatten Iran en de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad plus Duitsland (P5+1) hun overleg over het vermeende Iraanse kernwapenprogramma. Voorgenomen plaats van handeling: Bagdad, Irak, waar premier al-Maliki onlangs liet zien dat hij een belangrijke top kan organiseren zonder dat er doden vallen onder de deelnemers. Voor zover bekend gingen alle gasten van de Arabische Liga ongeschonden naar huis.

De keuze voor Bagdad als onderhandelingslocatie is op zich al een kleine overwinning voor de Iraanse diplomatie. Sinds de omverwerping van Saddam Hoessein hebben de nieuwe Iraakse machthebbers zich ontwikkeld tot trouwe bondgenoten van Teheran. Anderzijds kunnen de Amerikanen claimen dat het mede dankzij hen is dat er überhaupt nog een hotel overeind staat voor buitenlandse gasten.

Maar ook het feit dat de start van de nieuwe onderhandelingsronde – afgelopen 14 april, in Istanboel – geen concrete en onmiddellijk concessies op het terrein van uraniumverrijking opleverde is een zege voor Teheran. En dat is niet zo onverwacht. Iran heeft de catenaccio-diplomatie zo ongeveer uitgevonden. De grote mogendheden onderhandelen al ruim een decennium met de mollah’s om ze ertoe te bewegen hun kernenergie-activiteiten in lijn te brengen met het non-proliferatieverdrag en de IAEA volledige toegang te geven, net als iedereen. Maar ruim tien jaar en zes VN-resoluties later is het wantrouwen van de wereld over de intenties van Iran niet bezworen.

Om enig resultaat te kunnen vieren hebben de VS tenminste nodig dat Iran zijn verrijking van uranium tot 20% staakt. De sprong van een verrijkingsgraad van 20% naar ‘wapenklaar’ uranium is klein. Maar Teheran schat in dat de VS over te weinig middelen beschikken om zo’n resultaat af te dwingen. Een militaire invasie lijkt uitgesloten, terwijl een luchtaanval op Iraanse doelen waar uranium wordt verrijkt hooguit een beperkt en tijdelijk effect zal hebben, nog los van de mogelijke negatieve implicaties voor de positie van de VS in de regio. Bovendien lopen de VS het risico het internationale front dat zich nu tegen Iran’s nucleaire ambities heeft gevormd, te breken als tot gewapend handelen wordt overgegaan.

Daar staat tegenover dat het olie-embargo en de handelssancties tegen Iran effectief zijn, in de zin dat ze de Iraanse economie nu al zeer ontregelen. En dat zou alleen nog maar meer het geval worden als straks op 1 juli het Europese olie-embargo tegen Iran ingaat. En Iran is Noord-Korea niet; de machthebbers in Teheran hebben rekening te houden met de publieke opinie en machtige commerciële belanghebbenden.

De regering-Obama heeft ingezet op een diplomatieke tactiek van interactie in plaats van confrontatie met het Iraanse regime. Tot nu toe is dat een succesvolle zet gebleken: veel meer dan de mollahs salonfähig te maken heeft de Obama-aanpak Iran verder geïsoleerd en de internationale consensus over het kernenergie-programma van Teheran versterkt. Ook het Amerikaanse sanctiebeleid werpt zijn vruchten af: grootverbruikers van Iraanse olie als China, Japan en Zuid-Korea hebben hun import drastisch gereduceerd en zijn gaan winkelen in Saudi-Arabië.

Rusland is minder van Iraanse olie afhankelijk, en wil tegenwoordig graag worden gezien als een betrouwbare partner in de wereld van de internationale financiën. Zaken doen met Iran en de levering van (nucleaire en militaire) technologie past daar niet meer bij. Maar er was lang een bondje tussen Moskou en Teheran, niet in de laatste plaats omdat Rusland zijn grenzen in de Kaukasus vrij van moslimextremisme wil houden. Daar heeft het Teheran bij nodig.

Het geduld van de Amerikaanse diplomatie wordt zwaar op de proef gesteld nu, en Obama loopt de kans in de rug te worden aangevallen door de Republikeinen. De vraag is hoe lang Washington zich weet in te houden en hoe lang het bondgenoten als Israël en Frankrijk, die de messen al hebben geslepen, aan boord kan houden.

Iraanse diplomaten zijn koorddansers, en de rol van de Iraanse David tegen de Amerikaanse Goliath past hen als een handschoen. Tijd winnen, een stapje naar voren en twee naar achteren zetten is een koud kunstje voor de geoefende guerilla-diplomaten van Khamenei. Het is ze gelukt om uit Istanboel weg te komen zonder enige concrete toezegging, en zonder enige tussenstappen onderweg naar 23 mei, behalve een afspraak over ‘technisch overleg’ op laag-ambtelijk niveau. Tegelijkertijd beseft men dat de eeuwige pas op de plaats snel moet worden ingeruild voor een pas-de-deux. Tenminste, als Khamenei escalatie wil voorkomen.

En daar zit meteen het probleem. Iraanse diplomaten vermogen veel, maar vroeg of laat doemt de muur op die de internationale gemeenschap nu heeft klaargezet. De interne spanningen in politiek Teheran zijn groter dan de buitenwereld vaak vermoedt. Het is zeer de vraag of Khamenei al weet wat hij wil. De naderende deadlines van 23 mei, en daarna van 1 juli, dwingen Teheran om het eerst snel met zichzelf eens te worden, en daarna een strategie te formuleren waarmee de verschillende machtscentra kunnen leven.

De vonken zullen er vanaf spatten de komende tijd, zowel in Washington als Teheran.

Cartoon (c) International Herald Tribune

Advertisements

Iran, P5+1, Istanboel: snelle eerste observaties

Op zaterdag 14 april kwamen Iran en de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad, samen met Duitsland (P5+1), bijeen in Istanboel om te spreken over het vermeende kernwapenprogramma van Teheran.

In de komende dagen en weken zal ongetwijfeld meer bekend worden over de details van de bijeenkomst; nu beperken alle partijen zich nog tot algemene verklaringen over de goede sfeer. Dat is op zich niet onbelangrijk, gezien het feit dat eerdere overleggen eindigden in niets en alleen maar bleken bij te dragen aan de oplopende spanning.

Een paar snelle eerste observaties:

De bijeenkomst duurde maar een dag (de informele diners de avond ervoor niet meegerekend) en lijkt, veel meer dan velen hoopten, een ‘onderhandeling over onderhandelingen’ te zijn geweest dan een inhoudelijke bespreking van de zorgen die over en weer leven.

Er waren twee plenaire delen, waartussen enkele bilaterale gesprekken plaatsvonden: Iran met Rusland, Iran met China, en Iran met Ashton, die de EU-landen vertegenwoordigt en de hoofdonderhandelaar is voor de gehele P5+1. Geen bilateraal gesprek dus tussen de VS en Iran. De Amerikaanse delegatieleider Wendy Sherman had zo’n een-op-een-gesprek met Jalili wel aangevraagd, en het Iraanse staatsgecontroleerde persbureau ISNA meldde ook dat zo’n bilateraal gesprek wel zou plaatsvinden. Maar dat bericht werd al snel weer ingetrokken.

Een bilateraal gesprek tussen de VS en Iran zou een historische doorbraak in de relaties tussen de twee landen zijn geweest. Nu was er een mooie kans voor Teheran om te laten zien dat het de-escalatie wil met Washington. Maar Jalili heeft de uitgestoken hand van Sherman dus niet aangegrepen. Dat kan erop wijzen dat de tijd voor toenadering tot de VS nog niet rijp is voor sommige invloedrijke leden van het politieke establishment in Teheran. Het kan er ook op wijzen dat Iran in het geheel niet van plan is de relaties met Washington te ontspannen, maar eerder een wig wil drijven tussen de verschillende leden van de P5+1.

Partijen lijken de bijeenkomst in Istanboel te hebben gebruikt om kennis te maken en om een agenda te bepalen voor de 23e mei in Bagdad. Daar zou het gesprek echt, en inhoudelijk, van start moeten gaan.

Interessant is dat Iran wel lijkt te hebben geprobeerd om uitstel te krijgen van het olie-embargo van de EU tegen Iran, dat op 1 juli moet ingaan. Maar Ashton zou hebben gezegd dat maatregelen alleen door alle partijen gezamenlijk, en in onderlinge samenhang, kunnen worden genomen.

Istanboel heeft in elk geval geleid tot het besluit een volgende stap te zetten in de gesprekken. Straks op 23 mei in Bagdad dus. Maar over de kern van de zaak is niets besloten, terwijl daar toch mogelijkheden voor lagen en Iran ook vooraf had aangekondigd met een pakket nieuwe voorstellen naar Istanboel te komen.

Ondanks de geforceerde glimlach van de onderhandelaars en de lofuitingen over de goede sfeer is in die zin de uitkomst van zaterdag dus op zijn best onduidelijk. De problemen zijn vooruit geschoven, terwijl er steeds minder tijd is om een conflict af te wenden.

De Verenigde Staten kan niet worden verweten dat ze een afwijzende houding hebben ingenomen; ze hebben zich duidelijk opengesteld voor een diplomatieke oplossing, zelfs in de vorm van een rechtstreeks, bilateraal gesprek met Iran. Het is Teheran dat, kennelijk na enige twijfel en intern overleg op de dag zelf, niet op dat aanbod is ingegaan.

Iran kon twee dingen doen, in Istanboel. Goede wil tonen, of de internationale gemeenschap aan het lijntje houden. Het deed een beetje van beide.

[UPDATE 15/04] Saeed Jalili, de Iraanse delegatieleider, geeft interview aan Euronews waarin hij zich zorgen maakt over de ernstige gevolgen voor de landen van de Europese Unie van het ‘door de Amerikanen opgelegde’ olie- en handelsembargo tegen Iran. Gelet op zijn poging in Istanboel om olie-embargo uitgesteld te krijgen (zie hiervoor), lijkt het erop dat Iran een wig wil drijven tussen de VS en de EU, en eerst concessies wil verkrijgen op de tegen het land ingestelde sancties, voordat het toegevingen van Teheran op uraniumverrijking wil bespreken.

Is een akkoord mogelijk tussen Iran en de P5+1? Ja, maar geen permanente deal.

Is een oorlog met Iran onvermijdelijk? Nee, zeker niet. Maar er is een lange weg te gaan, geplaveid met wederzijdse concessies, voordat de lont uit het kruitvat is. En een mogelijk akkoord nu biedt geen zekerheid voor de langere termijn. Bovendien zal er in elk geval een verliezer zijn: niet de P5+1, niet het regime van de Islamitische Republiek, maar de verdedigers van mensenrechten in Iran zelf.

Op zaterdag 14 april hervatten Iran en de P5+1 (de permanente leden van de Veiligheidsraad Rusland, China, VS, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, aangevuld met Duitsland) hun gesprek over het Iraanse nucleaire programma, dat ruim een jaar geleden werd gestaakt. Iran zegt dat het uitsluitend civiele, vreedzame bedoelingen heeft, als elk ander land met kernenergie. De internationale gemeenschap vermoedt dat Iran heimelijk aan een atoomwapen werkt.

Het is gemakkelijk, en ook wel begrijpelijk, om de oplopende spanning tussen Iran en de rest van de wereld te zien in het kader van alweer een conflict van de Verenigde Staten met alweer een Midden-Oosters land. In die denkwijze zouden de VS dus doelbewust aansturen op een gewapend treffen met Teheran. Maar er zijn voldoende argumenten waarom de analogie met Irak en Afghanistan dit keer niet opgaat. Zo zijn de politieke signalen uit Washington nu van duidelijk andere toon dan toen. En ook de verklaringen vanuit Teheran doen niet denken aan de oorlogszuchtige taal van de Taliban of Saddam Hoessein.

Iran heeft wel erg zijn best gedaan de verdenking op zichzelf te laden. Het schendt herhaaldelijk zijn verplichtingen onder het Non-Proliferatieverdrag, weigert cruciale vragen van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) te beantwoorden, verrijkt een deel van zijn uraniumvoorraad tot 20%, heeft zes VN-resoluties die het land opriepen zijn verrijkingsactiviteiten te staken naast zich neergelegd, en bouwde een nucleaire ontwikkelingsfaciliteit, Fordoow, diep onder de grond en uit het zicht. Niet de daden van een land dat zich transparant opstelt en zich aan dezelfde regels houdt als andere landen die op vreedzame wijze kernenergie willen opwekken. Het wantrouwen van de internationale gemeenschap is dus gerechtvaardigd.

Anderzijds heeft Teheran reden te stellen dat het anders wordt behandeld dan, zeg, Nederland. Als gevolg van de voortdurende mensenrechtenschendingen tegen het eigen volk door de autoriteiten van de Islamitische Republiek en de steun aan organisaties als Hezbollah en Hamas is het land al jaren onderwerp van sancties en beperkingen. Rusland, Israel, Saudi-Arabie en de Golfstaten hebben geen behoefte aan het ontstaan van een nieuwe atoommacht in hun directe nabijheid en laten dat blijken. Iran voelt zich omsingeld door grootmachten en hun bondgenoten die het land in zijn ontwikkeling beperken of zelfs uit zijn op de val van het regime.

Maar uit alles blijkt dat er heel wat ruimte is voor een overeenkomst, straks in Istanboel en in de vervolggesprekken. Ten eerste zijn experts het erover eens dat Iran nog ver verwijderd is van de capaciteit om niet alleen aan atoombom te fabriceren, maar deze ook te kunnen ontsteken en af te leveren op de juiste plek; de technologische obstakels maken dat dat nog tenminste negen maanden tot anderhalf jaar zou duren. Iran, zo vinden deskundigen, is zelfs nog niet in de ‘break-out fase’, het punt in de tijd waarna de race naar een bom eigenlijk gelopen is en internationaal ingrijpen, ook militair, geen zin meer heeft.

Het regime van de Islamitische Republiek wordt vaak afgeschilderd als een gesloten, monolithisch geheel. Maar niets is minder waar, en de interne meningen zijn verdeeld, zowel over het nucleaire programma als over de toekomst van de relaties van Iran met de rest van de wereld, in het bijzonder het Westen. Het politieke systeem in Iran zit ingewikkeld in elkaar en bestaat uit verschillende machtscentra. Daarnaast is de vervlechting tussen de staatsmacht en de economische zeer groot, waardoor staatsbeslissingen vaak rechtstreeks worden beïnvloed door commerciele belangen.

Ten derde is de Opperste Leider, Khamenei, een vaardig politicus en evenwichtskunstenaar, geen gevaarlijke gek met een apocalyptische doodswens. Hij zit niet aan tafel in Istanboel, maar zal elke uitkomst moeten goedkeuren. Khamenei zal proberen om de internationale agenda’s van de meer compromisgerichte president Ahmadinejad en de voorzitter van de Raad van Geschiktheid en Oordeel, de voormalige president Rafsanjani, in balans te brengen met de meer confrontatiegerichte krachten in het regime, zoals de machtige Islamitische Revolutionaire Garde en de voorzitter van de Raad van Hoeders, Ahmad Jannati. Het laatste oordeel over alle staatszaken, in het bijzonder het buitenlands beleid, is aan Khamenei. Ondanks al zijn retoriek heeft Ahmadinejad maar een zeer beperkte invloed.

Khamenei is eerst en vooral een pragmaticus, gericht op behoud van de status quo. Als hij denkt dat er in de gesprekken met de P5+1 een deal te maken valt die gezichtsverlies voorkomt en zijn positie versterkt, dan zal hij plooibaar blijken. Door het uitvaardigen van een religieus edict, een fatwa, waarin hij kernwapens tot zonde verklaart, heeft Khamenei zich de ruimte verschaft toegevingen te doen. Overigens kan een fatwa altijd weer worden herroepen of bijgesteld, als de religieuze autoriteit in kwestie van oordeel is dat de omstandigheden zijn veranderd.

De internationale gemeenschap wil verifieerbare garanties dat Iran niet werkt aan een kernwapenprogramma. Iran wil in elk geval niet openlijk door het buitenland van die mogelijkheid worden beroofd, maar er is geen overtuigende aanwijzing dat het er wel aan werkt. Daarnaast wil Iran erkenning van zijn recht om atoomenergie op te wekken voor burgerlijke doeleinden. In grote lijnen zou een synthese tussen Iran en de P5+1 er zo uit kunnen zien:

Uraniumverrijking: Iran stelt verrijkt uranium nodig te hebben voor kerncentrales en medische isotopen. Onder het non-proliferatieverdrag, waarbij Iran partij is, mag dat ook. Iran zal niet accepteren dat het zijn uranium alleen mag betrekken van een internationale uraniumvoorziening. Maar: het zal wellicht bereid zijn te aanvaarden dat het verrijking tot 5% in eigen land mag doen plaatsvinden, onder streng toezicht van de IAEA. Verrijking tot 20% kan dan worden stopgezet, de bestaande voorraad kan het land uit worden verscheept en als Iran overtuigend kan aantonen toch beperkte hoeveelheden 20%-uranium nodig te hebben, bijvoorbeeld voor medische doeleinden, dan kan dat materiaal mondjesmaat worden geleverd.

Sancties: Teheran vermoedt dat het buitenland uit is op ‘regime change’ en dat de over decennia opgebouwde maatregelen tegen Iran daarop zijn gericht. in de onderhandelingen zal Iran de nadruk leggen op herstel van vertrouwen met de internationale gemeenschap. Het zal daarom stopzetting van het olie-embargo en handelssancties eisen, als vertrouwen herstellende stap in de richting van Teheran. Het gebrek aan democratie en de voortdurende mensenrechtenschendingen in Iran, die de basis vormen voor veel van de maatregelen tegen Iran, zullen het slachtoffer worden van de komende onderhandelingen. Althans voor de korte termijn. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de geldelijke steun en levering van wapens en kennis aan organisaties als Hezbollah en Hamas. Beide zijden in de gesprekken hebben er nu belang bij niet alle problemen op een grote hoop te gooien. Dit proces zal geen winst opleveren voor hen die streven naar vrijheid en rechtvaardigheid voor het Iraanse volk. Het is voorstelbaar dat de P5+1 Iran een gedeeltelijke opheffing van sancties biedt, als Iran zich verbindt aan een controleerbare set afspraken over de productie van verrijkt uranium.

Deze benadering van herstel van wederzijds vertrouwen omtrent het nucleaire programma zou op de korte termijn tot wat ontspanning kunnen leiden in de relaties tussen Iran en de buitenwereld. Maar op de langere termijn lijkt normalisatie van de betrekkingen alleen mogelijk als een alomvattend akkoord zou worden bereikt waarin ook de mensenrechtenschendingen en de steun van Iran aan gewapende non-state actors worden betrokken. En zo zou een positieve uitkomst van de gesprekken die op 14 april van start gaan, op de langere termijn wel eens een pas op de plaats kunnen blijken te zijn.

Khamenei in Hollywood? Laten we kalm blijven, maar niet naief

Is het een onvoorstelbaar Hollywood-scenario? Of is het verhaal te onvoorstelbaar om verzonnen te kunnen zijn? Feit is dat de VS, Saudi-Arabie en Iran in een groeiende rel zijn verwikkeld over een (al dan niet) voorgenomen moordaanslag op de Saudische ambassadeur in de Verenigde Staten. Een rel die verstrekkende consequenties kan hebben voor de stabiliteit in de regio rondom Iran. En die Iran, de VS, Israel, Saudi-Arabie, de Golfstaten, Irak en andere landen in hernieuwd, bloedig geweld kan storten. Alle reden dus om het hoofd koel te houden.

What we know is that an individual of Iranian-American descent was involved in a plot to assassinate the ambassador to the United States from Saudi Arabia,” zo sprak President Obama vorige week. “And we also know that he had direct links, was paid by and directed by individuals in the Iranian government. Now, those facts are there for all to see. We would not be bringing forward a case unless we knew exactly how to support all the allegations that are contained in the indictment.”

Er bleek achteraf bezien weinig reden te zijn om President Johnson te geloven over Vietnam, en we herinneren ons allemaal nog de Weapons of Mass Deception van President George W. Bush. Maar dat de buitenwereld een Amerikaanse president, gezien de ervaringen uit het verleden, niet a priori gelooft als hij een ander land verkettert: dat beseft Obama natuurlijk ook. En toch waren de VS uitzonderlijk snel en scherp met hun veroordeling van de Iraanse betrokkenheid. Op dit moment trekken teams van Amerikaanse diplomaten de wereld rond om in andere hoofdsteden de bewijzen te tonen. Wat is er aan de hand? De feiten zoals we ze op dit moment kennen:

De Amerikaanse minister van Justitie Eric Holder maakte vorige week bekend dat de autoriteiten een poging hadden verijdeld om de Saudische ambassadeur in Washington te vermoorden, en om de Saudische en Israelische ambassades op te blazen. Een Iraans-Amerikaanse man en een officier van een elite-onderdeel van de Islamitische Revolutionare Garde zijn voor het New Yorkse gerecht in staat van beschuldiging gesteld. De perswoordvoerder van de Iraanse president Ahmadinejad en andere Iraanse functionarissen ontkennen elke beschuldiging van Iraanse betrokkenheid.

Let wel: de Amerikanen beweren niet dat de Iraanse regering, president of geestelijk leider formele besluiten hebben genomen om tot de aanslag over te gaan dan wel over gedetailleerde operationele kennis van het plan beschikten. Wel zeggen ze bewijzen te hebben dat individuele Iraanse regeringsfunctionarissen persoonlijk en rechtstreeks opdracht voor het plan hebben gegeven en de samenzweerders hebben betaald.

Als dat laatste waar is, dan heeft Teheran een probleem, net als Rutte een probleem zou hebben wanneer generaal Van Uhm of secretaris-generaal Van Zwol van Financien opdracht zou hebben gegeven een paar weerspannige Griekse parlementariers vervroegd hun Schepper te laten ontmoeten.

Veel commentatoren putten zich de laatste dagen uit om de Amerikaanse beschuldiging naar het rijk der fabelen te verwijzen. Manour Ababsiar, de vooruitgeschoven complottist, zou een instabiele halve gare zijn. En Niru-ye Ghods – het onderdeel van de Revolutionaire Garde dat achter het plan zou zitten, en dat nu zeer actief is in de contra-revolutie in Syrie – is veel te professioneel om een voormalige autoverkoper en een stel Mexicaanse drugsdealers te gebruiken voor een aanslag op zo’n belangrijk doelwit. Israel zit erachter. Noch Iran, noch de Saudi’s hebben enig belang bij een gewapend conflict. Enzovoort. Nee, zo luidt hun discours: de VS fabriceren een casus belli om Teheran nu eindelijk eens aan te pakken. Een andere verklaring is er niet.

Toegegeven: Japan, Afghanistan en Irak weten wat er met je gebeurt als je de VS op eigen grondgebied aanvalt. De Amerikanen hebben de neiging daar nogal grondig op te reageren. Dus het lijkt logisch te denken dat Iran daar niet aan zal willen beginnen, omdat het regime daarmee zijn eigen doodvonnis tekent.

Maar van militaire simulatiespellen tot het hoofdredactioneel commentaar in De Volkskrant wordt wel erg vaak de vergissing gemaakt te denken dat landen, als het tenminste om geopolitiek gaat, langs rationele lijnen en in voorspelbare scenario’s reageren op elkaars handelen. Dat is gewoonweg niet zo. Bovendien houdt het wegwerpgebaar dat velen nu richting Obama maken geen rekening met twee omstandigheden. Ten eerste is Iran al enkele jaren actief bezig zijn aanwezigheid op het Westelijk Halfrond uit te breiden. Er zijn geloofwaardige aanwijzingen voor Iraanse militaire activiteiten in bijvoorbeeld Venezuela en Cuba, en hardnekkige berichten dat het door Iran gesteunde Hezbollah in Mexico een bruggenhoofd heeft geslagen. En ten tweede: er is sprake van een toenemende machtsstrijd binnen het regime. Die strijd gaat deels over de ‘ziel’ van de Islamitische Republiek, maar ook over een meer gematigde of radicalere opstelling richting de buitenwereld, in het bijzonder de soennitische regeringen op het Arabisch schiereiland, en Israel en de VS.

Het is nog te vroeg om conclusies te trekken. Dus ook om nu al de Amerikaanse claims zomaar van de hand te wijzen. Het is niet ondenkbaar dat de zeer professionele Niru-ye Ghods ook wel eens een flater begaat, net zoals de zeer professionele CIA, KGB en Mossad dat wel eens doen. En het is al helemaal niet ondenkbaar dat de Amerikaanse operaties van Iran en Hezbollah nu in het stadium van uitvoerende tests zijn gekomen. Tenslotte: al lijkt het alsof deze aanslag ingaat tegen het rationele belang van het regime in Teheran: een ontevreden oorlogshitser binnen datzelfde regime is niet altijd rationeel.

Arjen de Wolff is directeur van de onafhankelijke Iraanse media-organisatie Radio Zamaneh, maar schrijft dit stuk op persoonlijke titel.

Iran State media demonizing free press: this is how they do it

Oppressive regimes in the Middle-East often use State Media to vilify and demonize independent sources of news. For a non-Arabic or non-Persian speaking public, it may be difficult to understand just how vicious these attacks can become.

In the case of Iran, broadcasters like my own Radio Zamaneh are the frequent subject of violent criticism by state-controlled media.  Of late, the Persian service of the BBC is being targeted, possibly for airing a documentary on Supreme Leader Khamenei a while ago.

I thought it would be interesting for a non-Persian speaking audience to provide an ad verbatim translation of one such attack against the BBC, which was aired on September 27th, 2011, on one of the major TV news channels. I won’t comment on it too much; just read it for yourself. Note that the Baha’i, mentioned in the news broadcast, is a faith forbidden in Iran, whose adherents are severely persecuted by the authorities.

Iranian TV comments on detention of people accused of cooperating with BBC

[News presenter] The detention in Tehran of a number of people connected to the government-linked television in England, the BBC, appears to be one of those cases that, the more the opposite side denies something, the more confident everyone becomes that there was in fact something going on.

Since the detention last week of a number of people linked to the BBC, the
official television in England has become pretty agitated, and some people
inside the country have also become very active revealing their hidden
agenda.

Only a few days ago, the intelligence minister [Heydar Moslehi] revealed the true nature of the BBC network which is working as a media cover for
England’s intelligence organization, carrying out intelligence activities
inside Iran.

[Actuality of a female BBC Persian newsreader] The BBC Persian says that it is an independent network and does not have any colleagues working for it inside Iran.

[Actuality of a male BBC Persian newsreader] The BBC Persian does not have anyone cooperating with it inside Iran, and basically it [BBC Persian] does not cooperate with anyone in that country.

[Actuality of an interview with a male BBC employee] Basically, we do not
have anyone cooperating with us inside Iran.

[News presenter] Those three people repeated that phrase in a single night
and in a single BBC newscast. The BBC repeated the same phrase several times on previous days. Why the official network of England is insisting so much that it does not have anyone cooperating with it inside Iran? It seems that the BBC’s repeated denials are somewhat amateurish and hasty, and instead of helping to prove its claim, it is helping its audience to come to the conclusion that the real story is something else. But, what is the real
story?

A few days ago, the intelligence minister said that the BBC network was
indeed a media cover for intelligence activities and the network is in fact
a Baha’i network.

[Actuality of a BBC Persian programme in which the presenter says] Today we have come to the port city of Haifa, in the north of Israel. Let us visit
this place, the international centre for the Baha’is in order to know the
Baha’is better and to see what they do here in Israel. A few streets away, I
went to visit Albert Lincoln, the secretary-general of the Baha’i community.

[News presenter] What is noteworthy here is the serious efforts of certain
people and currents who support the people who were linked to this Baha’i
network which pretends to be a media source but it is in fact an
intelligence network. House of Cinema which itself believes to be a trade,
issued a statement immediately after the detention of the people who were
linked with the BBC and said that the detentions were the result of a big
misunderstanding. This pretend trade even issued a second statement
supporting those who were detained and expressed regret about their
detention. In order to justify those people’s cooperation with the Baha’i
BBC network, the House of Cinema claimed that they cooperated [with the BBC] in order to earn a living. The interesting thing here is that the head of
the BBC Persian, despite previous denials that those people were linked with the BBC, has expressed his regret [about their detention].

[Actuality of the head of the BBC Persian] I really regret the detention of
those who are accused of cooperating with the BBC.

[News presenter] It seems that the circle of people linked with the Baha’i
BBC network, who are carrying out intelligence activities under the guise of media activity, has extensive and complicated dimensions. The majority of those people have been identified and we should wait to be informed about the dimensions of the case in future days.

[Video shows a BBC logo, as well as a logo saying “Baha’i Broadcasting
Corporation”]

Source: Vision of the Islamic Republic of Iran Network 2, Tehran, in Persian, 1700 gmt 27 Sep 11  – translation provided by BBC Monitoring

Make Iran fight its cyber war with the right enemy: Iran

As Europe and the world are still reeling from the internet hack at the Dutch SSL CA agent Diginotar, authorities all over the world are trying to answer the question: what will the wider consequences of this attack be, and who was responsible? Meanwhile, in space, similar attacks take place: instances of satellite jamming, the deliberate interruption of, for instance, TV- and radio signals, are decidedly increasing. The latest victim: BBC Persian, whose transmissions were interfered with several times through installations on the territory of the Islamic Republic of Iran. Previously, Radio Zamaneh has been repeatedly attacked in similar fashion.

Internet hacking and satellite jamming are expressly forbidden by national and international legislation. In the case of satellite jamming, for instance, a member-state can be banned from the ITU (International Telecommunication Union). As always, the problem is: proof. Because it is not that easy to determine that a sovereign state, rather than a few individuals, were responsible for the intentional disturbance of peaceful internet and satellite communications.

Nevertheless, The Islamic Republic of Iran is at the top of everyone’s list of suspects, it being the country from which most major recent hacking and jamming attempts that caught the public eye originated. In recent years, the Iranian authorities have invested heavily in acquiring the right expertise and technology. In the case of satellite jamming, it is usually easy enough to establish form where exactly the attack took place; in the cases of BBC Persian and Radio Zamaneh for instance, it was proven convincingly that the jamming took place from inside Iran’s borders. With internet hacking, things are not always that simple. Still, in the Diginotar-case, the pile of evidence pointing toward Iran has been stacked up so high that a link with Iran is as good as certain.

The political question that needs to be posed now is: what should Europe’s response be to this increasing digital and outer space aggression?

The answer could well be: return the favour to the aggressor, if a case against a state actor, for example Iran, can be made. Remove his TV- and radio signals from the skies, and ban his websites from the internet. The Iranian state uses public satellites and the internet for its own communications as well. Iranian state media like IRIB transmit on the very same satellites that are used by independent and opposition media. The Iranian government and state media have websites too. Even the Iranian banking system is highly dependent on satellites for its communications.

Satellite and internet providers are bound by legal agreements. They need European decisions on sanctions to be able to break their contracts. And the recent case of Libya, where Eutelsat broke off transmissions of the pro-Kadhaffi state-TV when Europe asked them to, indicates that satellite operators and internet providers are likely to comply when a political decision tells them to. Meanwhile though, some free advice to satellite operators: put state media on the same transponder as independent media. That way, when a country tries to jam free media, they jam themselves in the process. Just a suggestion.

The European Union should quickly put a strict and decisive mechanism of sanctions in place to punish communication criminals. Take out their channels for telecommunication and information as soon as one can reasonably assume that the internet or satellite attack was driven by a state actor. Let’s make Iran fight its cyber war with its proper counterpart: Iran.

Democracy: 10 simple rules for successful transition from authoritarian to democratic rule

As we are deposing dictators (or aspiring to do so) all across the Middle-East, the Caucasus and Central Asia, the day after the party can make one feel a bit hung-over, and even despairing when looking at the daunting task ahead. Don’t worry, it has been done many times before you. In Africa, in Latin-America, and in Europe. Lessons have been learned. And trust me: transforming societies doesn’t have to be rocket science.

The benefits of democracy and the rule of law are not as universally accepted and self-explanatory anymore as twenty to thirty years ago. But the bad reputation these concepts have gained in recent years often stem from them having been implemented incompletely. In addition to that, the idea that a democracy governed by the rule of law is somehow at odds with, say, religion or culture, is utterly false. In the long run, truly democratic countries with a fair legal and judicial system, open society and open economy stand a much better chance of becoming stable, secure, prosperous nations with something to gain for everyone, than any other system.

Without any claim to infallibility, my years in international democracy, governance and media development have taught me these 10 simple rules for successful transition from authoritarian to democratic rule.

1. Take your time. Have all major political forces sign off on a technical government of non-political, authoritative experts that run the country for 3-4 years without parliamentary or other interference.

2. Clean up all legislation to ensure open, transparent, fair, non-discriminatory, inclusive, governmental, economic, social and legal processes. Incorporate human rights treaties and agreements.

3. Reform the bureaucracy, military, police and judiciary. Clear out obviously criminal and/or corrupt and inefficient officials from the very top on downwards. But leave everyone else in place, regardless of affiliation. They know how to run things.

4. Reform and retrain the judiciary and correctional system to restore trust in court independence.

5. Introduce unbiased and true education in all schools and in public campaigns about the country’s history, past faults and achievements, and integrate universal human rights and concepts of equality, non-violence and non-discrimination.

6. Reform the economy. Eradicate monopolies and oligarchies. Undo the close ties between government branches, officials and business enterprises, economic sectors. Create level playing field, access to economic activities for previously disenfranchised, non-connected individuals and groups.

7. Facilitate independent, pluralist media. Boost professional journalism colleges and trainings. Always remain responsive and accountable to journalists, even if they ask uneasy questions.

8. Facilitate a wide variety of civil society organizations. But fund only consortia of diverse, state-independent, non-ideological NGO’s.

9. Design an electoral system that ensures access to and participation in decision-making for all social groups, classes. Make sure that minorities, also those formerly in power, win something and feel they remain part of the process. Enforce a clean, free and fair voting process and result, pre- and post-election, even in the smallest and remotest of areas.

10. Invest in political party building. Facilitate effective campaigns that connect all parties and their ideas to the public. Train high quality future politicians that understand democracy is about trust, compromise, open communication and transparent decisions, sharing benefits between majorities and minorities, and long term gains for your constituency rather than short term ones.

Now, and only now: vote.