Over waarom de PVV verboden moet worden

Onder de democratische rechtsstaat liggen de beginselen dat elk lid van de samenleving op dezelfde manier als ieder ander mag meebeslissen over hoe zijn samenleving wordt bestuurd, en dat de willekeurige uitoefening van macht wordt beperkt door wet, en recht. In principe mag dus iedereen verwachten dat hij door de staat op gelijke manier wordt behandeld.

Onderscheid wordt alleen gemaakt als je in andere omstandigheden verkeert. Niet als je iemand anders bént. Daar gelden natuurlijk enkele uitzonderingen op, maar die uitzonderingen mogen nooit, voor zover voor dit stukje relevant, te maken hebben met afkomst.

Het bewaken van die politieke en juridische gelijkheid van iedere burger van dit land is essentieel voor het voortbestaan van het systeem. Want wanneer aan die gelijkheid wordt getornd, is er maar een alternatief: willekeur en ongelijke kansen om politieke invloed uit te oefenen.

En wanneer rechtsnormen maar lang genoeg willekeurig worden toegepast, of mensen maar lang genoeg van politieke zeggenschap worden buitengesloten, is er maar een resultaat mogelijk: delen van de samenleving voelen zich buitengesloten, onrechtvaardig behandeld en overgeslagen in de verdeling van kansen, mogelijkheden, en welvaart. En zal het systeem van gelijke behandeling en deelname aan de besluitvorming, uiteindelijk plaatsmaken voor onrecht en onrust.

Afdwingen van fundamentele democratische en rechtsstatelijke normen is dus essentieel, wanneer deze uit de een of de andere hoek onder vuur worden genomen. Als overmatige bevoordeling van een categorie mensen dreigt, of categorale benadeling, of bedreiging.

De meeste mensen in Nederland zijn allang vergeten wat het betekent, als onrecht heerst en grote groepen in politieke ongelijkheid verkeren. Ze nemen niet meer deel aan het democratisch proces, keren zich af van actief burgerschap, sussen of bagatelliseren bedreigingen van het systeem, en concentreren zich op zichzelf. Solidariteit, samen opkomen voor waarden, is een zeldzaamheid geworden. Zeker als het niet om zaken gaat waarbij men zelf direct voor- of nadeel ondervindt. In zekere zin is dat een logisch gevolg van het feit dat we al zo lang wonen in een stabielere, veiligere, welvarendere, gelijkere, openere samenleving dan in veruit de meeste andere landen in de wereld het geval is.

De meeste Nederlanders beseffen dus niet meer dat de democratische rechtsstaat geen natuurlijk gegeven is, maar voortdurend wordt bedreigd. Door burgers, politici, en andere machten en ontwikkelingen, buitenlandse of binnenlandse. Soms uit gemakzucht, onkunde, en onbedoeld. Maar soms doelgericht. Niet iedereen beseft nog, dat de regels van de democratische rechtsstaat er niet zijn om mensen die het met elkaar eens zijn te bedienen, maar juist om te gelden wanneer mensen tegenover elkaar staan.

De democratische rechtsstaat is geen natuurlijke toestand, en moet, dus, weerbaar zijn. Gelukkig kan dat meestal door publiek debat. Maar soms zijn andere, beslissendere middelen nodig. Want niet iedereen legt zich neer bij de grenzen van de rechtsstaat.

Zoals een politieke partij bijvoorbeeld, met de ideologische overtuiging dat aan de democratische rechtsstaat, en sommige van de waarden die eronder liggen en sommige van de rechtsnormen die eruit voortvloeien en er essentiele bouwstenen van zijn, een einde moet komen. Een partij die eraan werkt om de openbare orde en de maatschappelijke vrede die het resultaat zijn van onze democratische rechtsstaat, te ondergraven.

Nu een vergadering van de partij van de vrijheid, beantwoordend aan de rhetorische oproep van zijn politiek leider, verschillende keren luidkeels heeft geroepen dat een bepaalde bevolkingsgroep moet worden “verminderd” op grond van hun ethnische herkomst, is wat mij betreft de grens van het debat bereikt, en moet de weerbaarheid van onze democratische rechtsstaat met verdergaande middelen worden afgedwongen. Ik ben voor het verbieden en ontbinden van de PVV. Een zwaar en zelden toegepast middel, maar een middel dat niet voor niets in ons Burgerlijk Wetboek is gegeven. Juist ook voor de gevallen waarin een politieke partij de fundamentele normen van de rechtsstaat schendt.

Ik heb niet de illusie dat het verbieden van een partij haat bij mensen wegneemt. Of dat de politieke activiteit an sich ophoudt.

Ik heb hier geen belangstelling voor de strafrechtelijke vervolging van de politiek leider, om wat hij wel of niet heeft gezegd, of waartoe hij wel of niet heeft opgehitst. Ik heb dus ook geen aangifte gedaan en ga dus ook niet tegen hem demonstreren.

De nuanceringen, de roep op context, het vragen om begrip voor de achtergrond van de uitspraken laten me totaal koud. Ongeacht de omstandigheden werden deze uitspraken willens en wetens precies zo gemaakt, de formuleringen bewust zo gekozen. Van een politieke partij mag worden verwacht dat men begrijpt wat woorden doen, en tot welke consequenties woorden leiden.

Ik ben hier niet geinteresseerd in de vraag aan welke kant van het debat je staat dat al meer dan 15 jaar volop wordt gevoerd: hoe om te gaan met integratie van nieuwe groepen inwoners. Met geloof. Met oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën van de bevolking in criminaliteitsstatistieken of werkloosheidscijfers. Ik heb er wel een mening over, die meestal, maar niet altijd, ver af ligt van die van de PVV.

Maar mijn mening, of die van ieder ander, is nu niet meer relevant, wat mij betreft. Wat wij burgers vinden, is een samenlevingsvraagstuk, en voortdurend onderwerp van maatschappelijk debat. Maar wat een politieke partij zegt, en doet, is geen gesprekskwestie, maar een rechtsstatelijke aangelegenheid.

Een politieke partij, met vertegenwoordiging in ons parlement en lagere organen bovendien, is een onderdeel van ons democratisch bestel en daarmee, nog meer dan anderen, verplicht om onze democratische rechtsstaat te verdedigen en te onderhouden. Als een partij luidkeels en bij herhaling scandeert om het wegjagen van mensen om hun afkomst, moet een norm die aan ons bestel ten grondslag ligt niet alleen worden genoemd in een talkshow op TV of in een Kamerdebat, maar actief worden gesteld en afgedwongen, met alle middelen die een weerbare, zelfbewuste democratie ter beschikking staan.

Het verbieden van de PVV lost rassenhaat niet op. Maar het zuivert wel ons systeem van een organisatie die de grens nu ver heeft overschreden. Dat is belangrijk in zichzelf, en maakt bovendien voor iedereen weer helder wanneer debat stopt en het recht begint. Wat onze kernwaarden zijn, waar iedereen op mag vertrouwen en rekenen, wanneer ze dreigen te worden aangetast.

Het onderliggende probleem, voor zover het er is, is een heel ander en in dit verband totaal irrelevant vraagstuk. Of er ooit weer een soortgelijke partij komt, ook. Als de democratische rechtsstaat zichzelf nu niet verdedigt, de norm stelt én afdwingt met de wet in de hand, maken we van alle beginselen holle woorden.

Een partij die ernaar toewerkt mensen op te jagen en te verjagen, moet verboden worden. Er is, wat mij betreft, na deze week geen enkele andere conclusie mogelijk.

Vandaag, vrijdag, vindt de ministerraad plaats. Ik hoop dat daar wordt besloten het Openbaar Ministerie te instrueren de burgerlijke rechter te vragen om een verbod op en ontbinding van de PVV. Ook van zo’n kabinetsbesluit zou het krachtigste politieke signaal uitgaan dat mogelijk is. Naar hen die kwaad willen, en naar hen die gelijke behandeling als individueel lid van deze samenleving verlangen.

Als het kabinet daartoe niet besluit, dan vraag ik het het OM zelf. En ik hoop dat er zoveel mogelijk mensen hetzelfde met mij vragen.

Verwacht Geen Wonderen Van Rouhani, Het Oliemannetje Van Het Regime

 

[NOOT: DIT ARTIKEL WERD IN OKTOBER 2013 ALS EERSTE GEPUBLICEERD IN DE INTERNATIONALE SPECTATOR, HET BLAD VAN INSTITUUT CLINGENDAEL, IN IETS AANGEPASTE VORM]

“Het publiceren van informatie over de situatie van gevangenen en over mensenrechten” is de aanklacht die de broers Chosrow en Massoud Kourdpour tegen zich uit hoorden spreken. De twee journalisten van de online news website Mokeryan verdwenen vervolgens achter dezelfde tralies waarachter ze al bijna vier maanden, zonder vorm van proces, hadden vastgezeten.

 

 

Ahmad Asgari werd door de inlichtingendienst van een bankje in een park in Teheran gelicht toen hij de broer van een politieke gevangene probeerde te interviewen.

 

 

Voor Fariba Pajooh was het niet de eerste keer dat de autoriteiten haar huis binnenvielen en haar meenamen voor verhoor en detentie. De journaliste, die werkt voor verscheidene reformistische kranten, bracht in 2009 al eens 120 dagen in eenzame opsluiting door in de beruchte afdeling 209 van de Evin-gevangenis.

 

 

Wat deze drie voorvallen in elk geval met elkaar gemeen hebben is dat zij – en tientallen soortgelijke gebeurtenissen – zich afspeelden ruim na 14 juni 2013: de dag waarop Hassan Rouhani president van Iran werd.

Image

 

Nederlandse nieuwsuitzendingen waren gevuld met beelden van feestvierende kiezers in de straten van Teheran, toen bekend werd dat Rouhani de verkiezingen had gewonnen. Pas in de allerlaatste dagen van de toch al korte campagne, toen verschillende hervormingsgezinde voormannen hun steun voor hem hadden uitgesproken, begon Rouhani’s kandidatuur kansrijk te lijken. De overmacht van stemmen en de snelheid waarmee de uitslag bekend werd gemaakt, verrasten vrijwel iedereen, zowel in Iran zelf als daarbuiten.

 

 

De reden voor alle vreugde bleek uit de slogans waarmee de uitingen van publieke blijdschap gepaard gingen. Daarin kwam de naam van Mir-Hossein Mousavi vaak terug; de man die in 2009 de strijd om het presidentschap aanging namens de reformistische Groene Beweging. Die stembusgang eindigde met een overwinning – of volgens sommigen: een aanwijzing – van Mahmoud Ahmadinejad. De Groene Beweging werd bloedig neergeslagen. Mousavi en andere oppositieleiders werden onder huisarrest geplaatst, waarin ze tot op de dag van vandaag verblijven. Rouhani, of geen Rouhani.

 

 

Sinds zijn aantreden heeft de nieuwe president zeker een heel andere toon aangeslagen dan zijn voorganger, die we ons in het buitenland vooral zullen herinneren als aanhanger van een duister soort apocalyptisch geloof, en om zijn voorliefde voor Holocaustontkenners. Rouhani componeert luchtige tweets, belt met Obama, glimlacht overtuigend en ontwapenend. Maar dat Rouhani over uitstekende communicatievaardigheden beschikt betekent nog niet dat hij tastbare verbetering kan brengen in de verhoudingen tussen Iran en de internationale gemeenschap. Het betekent niet dat hij in staat zal zijn verlichting te brengen in de politieke, sociale en culturele omstandigheden in Iran zelf. Het betekent niet eens dat hij dat wil.

 

 

Hassan Rouhani is geen vrijzinnige, progressieve geest die uit het niets het Iraanse politieke landschap is komen binnenwaaien. Hij is een hoge islamitische geestelijke die vanaf het begin betrokken was bij ayatollah Khomeini’s islamistische beweging, die begon in 1963. Sinds de revolutie van 1979 vervulde hij een hoofdrol in de kaping van de volksopstand tegen de Sjah door de radicale clerus, en in het marginaliseren van andere oppositiestromingen. Rouhani bekleedde verschillende hoge functies van staat, waaronder die van hoofdonderhandelaar in het atoomdossier.

 

 

Geen enkele dictatuur is monolithisch en eensgezind. In het addernest dat de Iraanse politiek is, met zijn vele facties, uiteenlopende agendas en vergaande vervaging van de grenzen tussen bestuur, gewapende macht en economische belangen, is Rouhani een overlever gebleken die met alle machtsblokken min of meer uit de voeten kan. Zijn persoonlijkheid en charme zullen daarbij zeker hebben geholpen, maar ook zijn gebrek aan ideologische richting en zijn vermogen om op het allerlaatste moment te kiezen voor de winnende partij. Rouhani is de volmaakte nummer twee van het regime. Het oliemannetje. Een man met invloed waar niemand lang boos op kan blijven.

 

 

Het zijn deze kwaliteiten die Rouhani’s chef, Opperste Leider Khamenei, nu goed kan gebruiken. De internationale sancties hebben hun verwoestende effect op de binnenlandse economie niet gemist. Geopolitiek is Iran alleen maar verder geïsoleerd geraakt, omringd als het is door vijandige Golfstaten, een onvoorspelbaar Afghanistan en een instabiel Irak, en regionale grootmachten Turkije, Egypte en Saudi-Arabie die proberen hun dominantie in het gebied te (her)bevestigen ten koste van Iraanse belangen. Teheran heeft minder vrienden dan ooit tevoren. Zelfs Rusland en China, wier steun historisch gezien toch al op zijn minst tweeslachtig en halfhartig was, hebben geen enkele behoefte aan een nieuwe atoommacht in de regio. En ondanks alle retoriek lopen ook zij tamelijk keurig in de pas met, bijvoorbeeld, de oliesancties. Het gebrek aan autonome Iraanse slagkracht komt, kortom, iedereen prima uit.

 

 

De sancties en de regionale politieke dynamiek hebben in elk geval dit effect gehad: Iran is geisoleerd en economisch uitgeput genoeg geraakt om een serieus gesprek te willen aangaan over haar nucleaire ambities. De les die Khamenei heeft geleerd in 2009 was: meer controle over massamedia en sociale bewegingen. Maar wat hij niet kan gebruiken is dat de toegenomen sociale en politieke repressie weer wordt teniet gedaan door een uitzichtloze economische malaise die de wanhoop en woede van de massa van nieuwe brandstof voorziet.

 

Rouhani’s opdracht is niet om sociale en politieke hervormingen door te voeren. Het is ook niet zijn taak om Iran weer op te doen nemen in de warme omhelzing van de internationale gemeenschap. Rouhani’s opdracht is de economie weer aan de praat te krijgen. Dat de president daarvoor een andere toon moet aanslaan, binnenslands en op het wereldtoneel, neemt de Opperste Leider voor lief. Tot op zekere hoogte. Hoopvolle perceptie en een cosmetische concessie hier en daar zullen de berichtgeving over Iran onder Rouhani nog wel even blijven bepalen. Maar het opgeven van een (vreedzaam) atoomprogramma, een progressievere maatschappelijke politiek, of respect voor de fundamentele en burgerlijke rechten van bijvoorbeeld Ahmad, Fariba, Chosrow en Massoud: dat zit er niet in. En wie zich rekenschap geeft van het politieke karakter en de loopbaan van Hassan Rouhani zal dat ook niet verwachten.

 

Democracy: 10 simple rules for successful transition from authoritarian to democratic rule

As we are deposing dictators (or aspiring to do so) all across the Middle-East, the Caucasus and Central Asia, the day after the party can make one feel a bit hung-over, and even despairing when looking at the daunting task ahead. Don’t worry, it has been done many times before you. In Africa, in Latin-America, and in Europe. Lessons have been learned. And trust me: transforming societies doesn’t have to be rocket science.

The benefits of democracy and the rule of law are not as universally accepted and self-explanatory anymore as twenty to thirty years ago. But the bad reputation these concepts have gained in recent years often stem from them having been implemented incompletely. In addition to that, the idea that a democracy governed by the rule of law is somehow at odds with, say, religion or culture, is utterly false. In the long run, truly democratic countries with a fair legal and judicial system, open society and open economy stand a much better chance of becoming stable, secure, prosperous nations with something to gain for everyone, than any other system.

Without any claim to infallibility, my years in international democracy, governance and media development have taught me these 10 simple rules for successful transition from authoritarian to democratic rule.

1. Take your time. Have all major political forces sign off on a technical government of non-political, authoritative experts that run the country for 3-4 years without parliamentary or other interference.

2. Clean up all legislation to ensure open, transparent, fair, non-discriminatory, inclusive, governmental, economic, social and legal processes. Incorporate human rights treaties and agreements.

3. Reform the bureaucracy, military, police and judiciary. Clear out obviously criminal and/or corrupt and inefficient officials from the very top on downwards. But leave everyone else in place, regardless of affiliation. They know how to run things.

4. Reform and retrain the judiciary and correctional system to restore trust in court independence.

5. Introduce unbiased and true education in all schools and in public campaigns about the country’s history, past faults and achievements, and integrate universal human rights and concepts of equality, non-violence and non-discrimination.

6. Reform the economy. Eradicate monopolies and oligarchies. Undo the close ties between government branches, officials and business enterprises, economic sectors. Create level playing field, access to economic activities for previously disenfranchised, non-connected individuals and groups.

7. Facilitate independent, pluralist media. Boost professional journalism colleges and trainings. Always remain responsive and accountable to journalists, even if they ask uneasy questions.

8. Facilitate a wide variety of civil society organizations. But fund only consortia of diverse, state-independent, non-ideological NGO’s.

9. Design an electoral system that ensures access to and participation in decision-making for all social groups, classes. Make sure that minorities, also those formerly in power, win something and feel they remain part of the process. Enforce a clean, free and fair voting process and result, pre- and post-election, even in the smallest and remotest of areas.

10. Invest in political party building. Facilitate effective campaigns that connect all parties and their ideas to the public. Train high quality future politicians that understand democracy is about trust, compromise, open communication and transparent decisions, sharing benefits between majorities and minorities, and long term gains for your constituency rather than short term ones.

Now, and only now: vote.