Over waarom de PVV verboden moet worden

Onder de democratische rechtsstaat liggen de beginselen dat elk lid van de samenleving op dezelfde manier als ieder ander mag meebeslissen over hoe zijn samenleving wordt bestuurd, en dat de willekeurige uitoefening van macht wordt beperkt door wet, en recht. In principe mag dus iedereen verwachten dat hij door de staat op gelijke manier wordt behandeld.

Onderscheid wordt alleen gemaakt als je in andere omstandigheden verkeert. Niet als je iemand anders bént. Daar gelden natuurlijk enkele uitzonderingen op, maar die uitzonderingen mogen nooit, voor zover voor dit stukje relevant, te maken hebben met afkomst.

Het bewaken van die politieke en juridische gelijkheid van iedere burger van dit land is essentieel voor het voortbestaan van het systeem. Want wanneer aan die gelijkheid wordt getornd, is er maar een alternatief: willekeur en ongelijke kansen om politieke invloed uit te oefenen.

En wanneer rechtsnormen maar lang genoeg willekeurig worden toegepast, of mensen maar lang genoeg van politieke zeggenschap worden buitengesloten, is er maar een resultaat mogelijk: delen van de samenleving voelen zich buitengesloten, onrechtvaardig behandeld en overgeslagen in de verdeling van kansen, mogelijkheden, en welvaart. En zal het systeem van gelijke behandeling en deelname aan de besluitvorming, uiteindelijk plaatsmaken voor onrecht en onrust.

Afdwingen van fundamentele democratische en rechtsstatelijke normen is dus essentieel, wanneer deze uit de een of de andere hoek onder vuur worden genomen. Als overmatige bevoordeling van een categorie mensen dreigt, of categorale benadeling, of bedreiging.

De meeste mensen in Nederland zijn allang vergeten wat het betekent, als onrecht heerst en grote groepen in politieke ongelijkheid verkeren. Ze nemen niet meer deel aan het democratisch proces, keren zich af van actief burgerschap, sussen of bagatelliseren bedreigingen van het systeem, en concentreren zich op zichzelf. Solidariteit, samen opkomen voor waarden, is een zeldzaamheid geworden. Zeker als het niet om zaken gaat waarbij men zelf direct voor- of nadeel ondervindt. In zekere zin is dat een logisch gevolg van het feit dat we al zo lang wonen in een stabielere, veiligere, welvarendere, gelijkere, openere samenleving dan in veruit de meeste andere landen in de wereld het geval is.

De meeste Nederlanders beseffen dus niet meer dat de democratische rechtsstaat geen natuurlijk gegeven is, maar voortdurend wordt bedreigd. Door burgers, politici, en andere machten en ontwikkelingen, buitenlandse of binnenlandse. Soms uit gemakzucht, onkunde, en onbedoeld. Maar soms doelgericht. Niet iedereen beseft nog, dat de regels van de democratische rechtsstaat er niet zijn om mensen die het met elkaar eens zijn te bedienen, maar juist om te gelden wanneer mensen tegenover elkaar staan.

De democratische rechtsstaat is geen natuurlijke toestand, en moet, dus, weerbaar zijn. Gelukkig kan dat meestal door publiek debat. Maar soms zijn andere, beslissendere middelen nodig. Want niet iedereen legt zich neer bij de grenzen van de rechtsstaat.

Zoals een politieke partij bijvoorbeeld, met de ideologische overtuiging dat aan de democratische rechtsstaat, en sommige van de waarden die eronder liggen en sommige van de rechtsnormen die eruit voortvloeien en er essentiele bouwstenen van zijn, een einde moet komen. Een partij die eraan werkt om de openbare orde en de maatschappelijke vrede die het resultaat zijn van onze democratische rechtsstaat, te ondergraven.

Nu een vergadering van de partij van de vrijheid, beantwoordend aan de rhetorische oproep van zijn politiek leider, verschillende keren luidkeels heeft geroepen dat een bepaalde bevolkingsgroep moet worden “verminderd” op grond van hun ethnische herkomst, is wat mij betreft de grens van het debat bereikt, en moet de weerbaarheid van onze democratische rechtsstaat met verdergaande middelen worden afgedwongen. Ik ben voor het verbieden en ontbinden van de PVV. Een zwaar en zelden toegepast middel, maar een middel dat niet voor niets in ons Burgerlijk Wetboek is gegeven. Juist ook voor de gevallen waarin een politieke partij de fundamentele normen van de rechtsstaat schendt.

Ik heb niet de illusie dat het verbieden van een partij haat bij mensen wegneemt. Of dat de politieke activiteit an sich ophoudt.

Ik heb hier geen belangstelling voor de strafrechtelijke vervolging van de politiek leider, om wat hij wel of niet heeft gezegd, of waartoe hij wel of niet heeft opgehitst. Ik heb dus ook geen aangifte gedaan en ga dus ook niet tegen hem demonstreren.

De nuanceringen, de roep op context, het vragen om begrip voor de achtergrond van de uitspraken laten me totaal koud. Ongeacht de omstandigheden werden deze uitspraken willens en wetens precies zo gemaakt, de formuleringen bewust zo gekozen. Van een politieke partij mag worden verwacht dat men begrijpt wat woorden doen, en tot welke consequenties woorden leiden.

Ik ben hier niet geinteresseerd in de vraag aan welke kant van het debat je staat dat al meer dan 15 jaar volop wordt gevoerd: hoe om te gaan met integratie van nieuwe groepen inwoners. Met geloof. Met oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën van de bevolking in criminaliteitsstatistieken of werkloosheidscijfers. Ik heb er wel een mening over, die meestal, maar niet altijd, ver af ligt van die van de PVV.

Maar mijn mening, of die van ieder ander, is nu niet meer relevant, wat mij betreft. Wat wij burgers vinden, is een samenlevingsvraagstuk, en voortdurend onderwerp van maatschappelijk debat. Maar wat een politieke partij zegt, en doet, is geen gesprekskwestie, maar een rechtsstatelijke aangelegenheid.

Een politieke partij, met vertegenwoordiging in ons parlement en lagere organen bovendien, is een onderdeel van ons democratisch bestel en daarmee, nog meer dan anderen, verplicht om onze democratische rechtsstaat te verdedigen en te onderhouden. Als een partij luidkeels en bij herhaling scandeert om het wegjagen van mensen om hun afkomst, moet een norm die aan ons bestel ten grondslag ligt niet alleen worden genoemd in een talkshow op TV of in een Kamerdebat, maar actief worden gesteld en afgedwongen, met alle middelen die een weerbare, zelfbewuste democratie ter beschikking staan.

Het verbieden van de PVV lost rassenhaat niet op. Maar het zuivert wel ons systeem van een organisatie die de grens nu ver heeft overschreden. Dat is belangrijk in zichzelf, en maakt bovendien voor iedereen weer helder wanneer debat stopt en het recht begint. Wat onze kernwaarden zijn, waar iedereen op mag vertrouwen en rekenen, wanneer ze dreigen te worden aangetast.

Het onderliggende probleem, voor zover het er is, is een heel ander en in dit verband totaal irrelevant vraagstuk. Of er ooit weer een soortgelijke partij komt, ook. Als de democratische rechtsstaat zichzelf nu niet verdedigt, de norm stelt én afdwingt met de wet in de hand, maken we van alle beginselen holle woorden.

Een partij die ernaar toewerkt mensen op te jagen en te verjagen, moet verboden worden. Er is, wat mij betreft, na deze week geen enkele andere conclusie mogelijk.

Vandaag, vrijdag, vindt de ministerraad plaats. Ik hoop dat daar wordt besloten het Openbaar Ministerie te instrueren de burgerlijke rechter te vragen om een verbod op en ontbinding van de PVV. Ook van zo’n kabinetsbesluit zou het krachtigste politieke signaal uitgaan dat mogelijk is. Naar hen die kwaad willen, en naar hen die gelijke behandeling als individueel lid van deze samenleving verlangen.

Als het kabinet daartoe niet besluit, dan vraag ik het het OM zelf. En ik hoop dat er zoveel mogelijk mensen hetzelfde met mij vragen.

De Quenelle van Geert en de Godwin van Fouad

Maar weinig mensen zijn in staat tot Hitler-vergelijkingen die niet potsierlijk zijn. Sander van der Pavert kan het. Fouad Sidali en Fatima ImageElatik niet. Al helemaal niet als het object van ongenoegen Geert Wilders heet.

We konden natuurlijk wachten op de volgende integratie-oprisping. In een jaar met twee verkiezingscampagnes was het tegendeel verbazingwekkender geweest. Wilders roept iets over ‘De Marokkanen’, en de rest van de Nederlandse politiek roept iets terug. Meestal iets met zinnen die de woorden ‘scherp’ en ‘veroordeling’ bevatten. Maar soms met een Historische Vergelijking. Zoals deze week, toen de beide PvdA-kopstukken Wilders maar weer eens associeerden met wijlen de douanierszoon uit Braunau.

Elk nuchter denkend mens wordt natuurlijk net zo moe van Wilders als van zijn opponenten, inmiddels. De discussie is wel gevoerd, zo langzamerhand. Wij die niet van een der beide zijden van het integratie-debat leven, doen rustig verder. Maar de discussie gaat door. Relevant eraan is eigenlijk niet meer wat er wel wordt gezegd. Maar wat er wordt verzwegen.

Dat gebrek werd onlangs treffend duidelijk in een ander, maar in dit verband net zo’n interessant geval: de ‘quenelle’. Een gebaar, bedacht door de meervoudig voor jodenhaat veroordeelde Franse komiek Dieudonne. Bedoeld, dixit de grollenmaker, ter symbolisering van verzet tegen wat de Fransman ‘het systeem’ noemt. Maar het gebaar oogt als een soort omgekeerd Nazi-saluut en een aanzienlijk aantal van Dieudonne’s fans vat het gebaar ook zo op; tenminste, als we af mogen gaan op de foto’s van lustig erop los quenellende jongeren in Auschwitz.

Het ‘systeem’. Het systeem is een codewoord geworden voor allerlei gevoelens, die niet gaan over wat ons verontrust, over de dagelijkse, praktische problemen waar we mee kampen. In sociale zin, in economische zin, of culturele. Nee, het ‘systeem’ staat voor wat we, in de diepste krochten van ons angstige hart, als oorzaak van die problemen zien. En hetzelfde geldt voor veel van het idioom van Wilders en zijn kiezers.

Het gebrek is dat we die dingen niet meer mogen benoemen voor wat ze zijn. Want dat is een Godwin. En we zijn geen racist. En zo verder. En in die zin hadden Fatima en Fouad, in al hun onbeholpenheid, natuurlijk gewoon gelijk.

Geef antisemitisme, afkeer van immigranten en andere vormen van haat een vinger, en ze nemen je hele hand. Het probleem met de quenelle, met de aan hysterie grenzende afkeer van Israel, en met politieke voorstellen om moslims te tellen en te berekenen wat ze de samenleving kosten, is dat ze zo ambigu zijn. En dat is wat ze zo verraderlijk en gevaarlijk maakt. De verzachtende omstandigheden waaronder iemand voor een synagoge gaat staan waar onlangs drie bezoekers werden vermoord en de quenelle maakt, zijn belangrijk. Maar we hebben het debat zo vertroebeld dat we geen onderscheid meer maken tussen echte problemen, en pure, ongefundeerde haat.

Het is de waas van plausibele ontkenbaarheid die het zo gemakkelijk maakt om codetaal te gebruiken, voor wie haatgevoelens koestert. En te verhullen wat er werkelijk aan de hand is: dat we weer, zonder gehinderd te worden door de feiten, ons sociaal ongemak, onze economische problemen, of bedreigende internationale gebeurtenissen mogen toeschrijven aan hele bevolkingsgroepen. Dat collectieve schuld weer acceptabel is. Dat we sinistere, ophitsende taal, gebezigd door een parlementariër of een komiek, nuanceren en wegredeneren. Met een beroep op het gezonde volksgevoel.

In dat opzicht is dit volk trouwens nooit anders geweest. De laatste om dreigend onheil te herkennen, de eerste om er gezagsgetrouw en vlijtig mee te collaboreren. Om maar eens een Historische Vergelijking te bezigen.

Verwacht Geen Wonderen Van Rouhani, Het Oliemannetje Van Het Regime

 

[NOOT: DIT ARTIKEL WERD IN OKTOBER 2013 ALS EERSTE GEPUBLICEERD IN DE INTERNATIONALE SPECTATOR, HET BLAD VAN INSTITUUT CLINGENDAEL, IN IETS AANGEPASTE VORM]

“Het publiceren van informatie over de situatie van gevangenen en over mensenrechten” is de aanklacht die de broers Chosrow en Massoud Kourdpour tegen zich uit hoorden spreken. De twee journalisten van de online news website Mokeryan verdwenen vervolgens achter dezelfde tralies waarachter ze al bijna vier maanden, zonder vorm van proces, hadden vastgezeten.

 

 

Ahmad Asgari werd door de inlichtingendienst van een bankje in een park in Teheran gelicht toen hij de broer van een politieke gevangene probeerde te interviewen.

 

 

Voor Fariba Pajooh was het niet de eerste keer dat de autoriteiten haar huis binnenvielen en haar meenamen voor verhoor en detentie. De journaliste, die werkt voor verscheidene reformistische kranten, bracht in 2009 al eens 120 dagen in eenzame opsluiting door in de beruchte afdeling 209 van de Evin-gevangenis.

 

 

Wat deze drie voorvallen in elk geval met elkaar gemeen hebben is dat zij – en tientallen soortgelijke gebeurtenissen – zich afspeelden ruim na 14 juni 2013: de dag waarop Hassan Rouhani president van Iran werd.

Image

 

Nederlandse nieuwsuitzendingen waren gevuld met beelden van feestvierende kiezers in de straten van Teheran, toen bekend werd dat Rouhani de verkiezingen had gewonnen. Pas in de allerlaatste dagen van de toch al korte campagne, toen verschillende hervormingsgezinde voormannen hun steun voor hem hadden uitgesproken, begon Rouhani’s kandidatuur kansrijk te lijken. De overmacht van stemmen en de snelheid waarmee de uitslag bekend werd gemaakt, verrasten vrijwel iedereen, zowel in Iran zelf als daarbuiten.

 

 

De reden voor alle vreugde bleek uit de slogans waarmee de uitingen van publieke blijdschap gepaard gingen. Daarin kwam de naam van Mir-Hossein Mousavi vaak terug; de man die in 2009 de strijd om het presidentschap aanging namens de reformistische Groene Beweging. Die stembusgang eindigde met een overwinning – of volgens sommigen: een aanwijzing – van Mahmoud Ahmadinejad. De Groene Beweging werd bloedig neergeslagen. Mousavi en andere oppositieleiders werden onder huisarrest geplaatst, waarin ze tot op de dag van vandaag verblijven. Rouhani, of geen Rouhani.

 

 

Sinds zijn aantreden heeft de nieuwe president zeker een heel andere toon aangeslagen dan zijn voorganger, die we ons in het buitenland vooral zullen herinneren als aanhanger van een duister soort apocalyptisch geloof, en om zijn voorliefde voor Holocaustontkenners. Rouhani componeert luchtige tweets, belt met Obama, glimlacht overtuigend en ontwapenend. Maar dat Rouhani over uitstekende communicatievaardigheden beschikt betekent nog niet dat hij tastbare verbetering kan brengen in de verhoudingen tussen Iran en de internationale gemeenschap. Het betekent niet dat hij in staat zal zijn verlichting te brengen in de politieke, sociale en culturele omstandigheden in Iran zelf. Het betekent niet eens dat hij dat wil.

 

 

Hassan Rouhani is geen vrijzinnige, progressieve geest die uit het niets het Iraanse politieke landschap is komen binnenwaaien. Hij is een hoge islamitische geestelijke die vanaf het begin betrokken was bij ayatollah Khomeini’s islamistische beweging, die begon in 1963. Sinds de revolutie van 1979 vervulde hij een hoofdrol in de kaping van de volksopstand tegen de Sjah door de radicale clerus, en in het marginaliseren van andere oppositiestromingen. Rouhani bekleedde verschillende hoge functies van staat, waaronder die van hoofdonderhandelaar in het atoomdossier.

 

 

Geen enkele dictatuur is monolithisch en eensgezind. In het addernest dat de Iraanse politiek is, met zijn vele facties, uiteenlopende agendas en vergaande vervaging van de grenzen tussen bestuur, gewapende macht en economische belangen, is Rouhani een overlever gebleken die met alle machtsblokken min of meer uit de voeten kan. Zijn persoonlijkheid en charme zullen daarbij zeker hebben geholpen, maar ook zijn gebrek aan ideologische richting en zijn vermogen om op het allerlaatste moment te kiezen voor de winnende partij. Rouhani is de volmaakte nummer twee van het regime. Het oliemannetje. Een man met invloed waar niemand lang boos op kan blijven.

 

 

Het zijn deze kwaliteiten die Rouhani’s chef, Opperste Leider Khamenei, nu goed kan gebruiken. De internationale sancties hebben hun verwoestende effect op de binnenlandse economie niet gemist. Geopolitiek is Iran alleen maar verder geïsoleerd geraakt, omringd als het is door vijandige Golfstaten, een onvoorspelbaar Afghanistan en een instabiel Irak, en regionale grootmachten Turkije, Egypte en Saudi-Arabie die proberen hun dominantie in het gebied te (her)bevestigen ten koste van Iraanse belangen. Teheran heeft minder vrienden dan ooit tevoren. Zelfs Rusland en China, wier steun historisch gezien toch al op zijn minst tweeslachtig en halfhartig was, hebben geen enkele behoefte aan een nieuwe atoommacht in de regio. En ondanks alle retoriek lopen ook zij tamelijk keurig in de pas met, bijvoorbeeld, de oliesancties. Het gebrek aan autonome Iraanse slagkracht komt, kortom, iedereen prima uit.

 

 

De sancties en de regionale politieke dynamiek hebben in elk geval dit effect gehad: Iran is geisoleerd en economisch uitgeput genoeg geraakt om een serieus gesprek te willen aangaan over haar nucleaire ambities. De les die Khamenei heeft geleerd in 2009 was: meer controle over massamedia en sociale bewegingen. Maar wat hij niet kan gebruiken is dat de toegenomen sociale en politieke repressie weer wordt teniet gedaan door een uitzichtloze economische malaise die de wanhoop en woede van de massa van nieuwe brandstof voorziet.

 

Rouhani’s opdracht is niet om sociale en politieke hervormingen door te voeren. Het is ook niet zijn taak om Iran weer op te doen nemen in de warme omhelzing van de internationale gemeenschap. Rouhani’s opdracht is de economie weer aan de praat te krijgen. Dat de president daarvoor een andere toon moet aanslaan, binnenslands en op het wereldtoneel, neemt de Opperste Leider voor lief. Tot op zekere hoogte. Hoopvolle perceptie en een cosmetische concessie hier en daar zullen de berichtgeving over Iran onder Rouhani nog wel even blijven bepalen. Maar het opgeven van een (vreedzaam) atoomprogramma, een progressievere maatschappelijke politiek, of respect voor de fundamentele en burgerlijke rechten van bijvoorbeeld Ahmad, Fariba, Chosrow en Massoud: dat zit er niet in. En wie zich rekenschap geeft van het politieke karakter en de loopbaan van Hassan Rouhani zal dat ook niet verwachten.

 

Ireli, Azerbaijan’s eager tool of oppression

Now. Do I like abusing little defenseless kids? No, I don’t. Well, yes. I do. If it’s an Ireli kid. If you ever wanted to do a movie featuring an operetta regime and their clueless club of cheerleaders, just look at the dictatorship running the country of Azerbaijan and the youth organization supporting it. It’s called Ireli Public Union.

A grieving mother at a protest rally in Baku - by Ilkin Zeferli

A grieving mother at a protest rally in Baku – by Ilkin Zeferli

Let’s set the stage. Azerbaijan is a small, ex-Soviet country in the South Caucasus, tucked between Russia to the North and Iran to the South. Its geographical situation alone provides Azerbaijan with the continued interest of everyone from Moscow to Peking, from Brussels to Washington DC, from Jerusalem to Ankara and Tehran. The Caspian Sea to its East gives Baku oil and gas riches; to its West, Armenia provides Azerbaijan with a reason for conflict and war.

Dictatorships come in differents sizes, shapes and structures. The one ruling in Baku is built on the legacy of president Heydar Aliyev, a former KGB-general who overthrew the democratically elected government of president Elcibey in the early 1990′s and founded family-run authoritarian rule. Heydar projected strength, security and a sense of national unity to an uncertain people in shaky, post-Soviet times and amidst a war with Armenia over Nagorno-Karabagh, a war that Azerbaijan was losing badly. Until this day, Armenia occupies a large swath of Azerbaijani territory, while the dispute over the status of Nagorno-Karabagh remains unresolved. Ethnic tensions and the occasional violence between Armenians and Azerbaijani’s are nothing new. But the war between Armenia and Azerbaijan, still very much on, has been providing an added excuse for both governments to instill a profound hate of the other in the minds of their peoples. The NK-conflict also provides a convenient subterfuge to keep an iron grip on the affairs of state. After all: there is a war going on.

While the old Aliyev was able to make his people believe he gave them security, unity, nation-building and patriotic pride, his son Ilham, who took over when his father died, lacks any kind of national vision or agenda. His reign has seen a government, that at its very beginning might still have been, partially at least, about building Azerbaijan, fall into being solely about stuffing the pockets of a kleptocratic alliance of families and special interests that controls all energy resources and vital parts of the economy. With devastating results to the quality of government, to the state of Azerbaijan’s public institutions and services, and to any sense of individual freedom and quality of life. On the Economist’s latest EIU Democracy Index, Azerbaijan is defined as an authoritarian regime, ranking 140 out of 167, with a score of 3.15 out of 10. The Press Freedom Index of Reporters Without Borders puts Azerbaijan at 156 out of 179 countries.Transparency International has a yearly Global Corruption Index: Azerbaijan is way down below at 139 out of 174.

Pick any yardstick you like. Despite its outwardly modern image, its well-designed new buildings (for which old architectural heritage had to be destroyed) or its flashy CNN commercials, Azerbaijan’s prosperity is a flimsy facade. By any international measure, the Aliyev-regime has turned Azerbaijan into one of the world’s most oppressive, corrupt, dysfunctional, unfree, undemocratic, economically failed societies. In an environment that was controlling and totalitarian from the very beginning, your only way of social and economic advancement is siding with the powers that be. Those who refuse to trade off their political rights for some measure of social standing and a shot at making a quick buck through favoritism, well: they get marginalized, persecuted, or killed. And the problems are getting worse, not better.

So. This is Azerbaijan. A country with a great history, natural beauty, freedom-minded people, fabled hospitality, the birth place of some of the world’s greatest literature and works of art. But with a government that uses oil and gas wealth not to build schools, health care, public infrastructure, housing, but to enrich the elite. And to buy the attention of the international community, bring international events to Baku, win favors from the powerful, the privilege to sit at the high tables of Davos, DC, Brussels. Having robbed the country and its people blind, what the regime craves now is the recognition of the international community. Western leaders in particular.

To be fair: those same Western leaders have an ambivalent track record when it comes to dealing with Azerbaijan. On one hand, many democratic countries invest handsomely in the development of democracy, human rights, rule of law, and economic progress of the Azerbaijani people as a whole. On the other, Azerbaijan is an important pawn in the regional game of power and access to energy, and no government in Europe or North-America is willing to alienate Azerbaijan and drive it into the hands of, say, Russia or China. The Azerbaijani regime knows this all too well, and plays its cards cautiously, balancing one foreign interest against the other. The best, long-term, stable, trustworthy and friendly partnerships are built with democratic governments and truly open societies. But unfortunately, this truth is lost on your average decision maker in the democratic West.

Back to abusing little kids. When I was living in Baku myself, working on democracy, good governance and political issues, Ireli was nothing but an empty shell. A token pro-Aliyev youth movement that didn’t do much of any consequence, besides trying to get funds from the European Union to throw away on international exchanges for the sons and daughters of the corrupt elite. Ireli was to sit tight and shut up until the moment of need would arrive, when the regime wanted a countervailing force against some protest movement, that at that point still was to materialize with any importance.

Not too long ago, that moment came. First, a new kind of dissident youth networks gained ground and started to stage activities mocking the government, its corruption, and the deplorable state of society and public services. Their actions got some attention. Then, the old, persecuted and marginalized political parties joined forces. Again, yes, but this time they included groups and independents from civic life. Most recently, social unrest hit some of the smaller towns outside Baku. Rural people got fed up with the stealing and arbitrary use of power by local governors, and took to the streets. Then, a young soldier, a conscript, was murdered by his senior officers. Finally, an Azerbaijani author, Akram Aylisli, was courageous enough to write a story set against the conflict with Armenia over Nagorno-Karabagh. In his book, he self-searchingly questioned his own nation’s attitudes towards their neighbours. A daring, much needed thing to do. But an explosive act too, endangering his life.

So. Something stirred in the waters. People got jailed, family members harassed and threatened, but this was in itself nothing new. Protests erupted, and this time, people could cite social causes for their dissatisfaction, not primarily political ones. This time, it was about justice and fairness.

Ireli sprang into action to defend their overlord, president Ilham Aliyev. On Twitter, Facebook, and elsewhere, they started playing down the extent of the malcontent. The size of the protests. And attacking dissidents. Suddenly, to me at least, the group that I got to know as a bunch of lethargic and spoiled little rich kids turned out to be not so lethargic anymore. In the past few years, it turned out, Ireli had been built up to play the attack dog for the regime quite aggressively.

What do I find so infuriating about the likes of Ireli? I guess the anger goes back to notions about complicity to tyranny set forth so meticulously by Hannah Arendt. In times of oppression, it is those that roll with the system that actively perpetuate it. It’s the opportunism, the jockeying for a good position in life, in business, in government, the perspective of a personal reward, that makes people opt for a place in the system of repression. They’re not forced to. They choose consciously. They are not mistaken or misguided. It is not that they believe its for the good of the country. They know very well it is only for the good of their own pockets. And for this, they willingly turn themselves into a tool to repress, criminalize and attack the voice of dissent. Every time an Ireli kid claims he loves his country: somewhere, a little truth fairy dies.

This human failure is of all times, of everywhere, I know that. Still. If we resign to it and remain silent, we also become perpetrators.

Maakt het uit of Iran een atoombom krijgt? Ja. En nee.

Aan de onderhandelingen over het Iraanse atoomprogramma, vandaag in Kazachstan, ligt een basale wens ten grondslag. De internationale gemeenschap wil niet dat Iran zich tot atoommacht ontwikkelt. De Iraniërs zeggen: dat doen we ook helemaal niet, maar overigens bepalen we dat zelf wel.


Maar los van de vraag of Teheran nu werkt aan kernwapens of niet: maakt het eigenlijk iets uit, of Iran een atoombom heeft? Het antwoord is: nee. Maar ook ja. Het hangt er maar vanaf hoe je verandering en dreiging definieert.

Veel mensen zien een kernwapen in de handen van de ayatollahs als een existentiele dreiging voor Irans tegenstrevers. Zoals Israel. Maar het begrip existentiele dreiging, als in een gevaar voor het bestaan zélf, wordt wel erg snel gehanteerd. Te snel.

Het conflict tussen Israel en Iran, in de zin van een potentiele rechtstreekse confrontatie, is in het gehele machtsspel in het Midden-Oosten en Iran daarin een volstrekte bijzaak. Maar zoals het vaker gaat: een side-show staat soms toch ineens op het hoofdtoneel.

Om te beginnen is er geen twijfel dat Israel een Iraanse nucleaire aanval op zijn grondgebied met gemak kan afschrikken. Israels conventionele militaire macht is veel groter en beter ontwikkeld dan die van Teheran en alleen al daarmee kan Israel, als het wordt aangevallen, Iran grondig verwoesten.

Ten tweede is Israel zélf een atoommacht. Althans, dat neemt de hele wereld aan. Dat Israel daarover zwijgt is logisch: erkenning door Israel zelf zou het land in het huidige controversiele politieke klimaat blootstellen aan ongekende internationale druk om op te geven wat Jeruzalem ziet als zijn laatste verdedigingslinie in een vijandige omgeving.

Maar dat Israels kernbommen misschien een existentiele levensverzekering zijn maakt van een Iraanse kernbom nog geen existentiele dreiging. MAD, de strategische theorie van Mutually Assured Destruction, gaat ook hier op. Zelfs als een Iraans atoomwapen Israel zou bereiken zijn Israelische lanceerinstallaties, bommenwerpers en onderzeeers nog altijd in staat Iran hetzelfde aan te doen, met vernietigende resultaten. Het wederzijds bezit van kernwapens is een garantie tegen het gebruik ervan, paradoxaal genoeg. En in tegenstelling tot wijd verbreide volkswijsheid zijn de mollahs niet gek, maar juist zeer rationele spelers op het internationale schaakbord.

Een Iraanse atoombom is dus geen existentiele dreiging voor anderen. Maar is het dan misschien wel gewoon een bedreiging? Jazeker. Als Iran een atoombom heeft, maakt het zich vrijwel onkwetsbaar voor existentiele dreiging tegen zichzélf. Met andere woorden: bezit van kernwapens versterkt de positie van het theocratisch regime tegen buitenlandse en binnenlandse pogingen tot omverwerping. Net als voor Israel is ook voor de ayatollahs het atoomwapen een ultimum remedium voor het eigen voortbestaan.

Maar Khomeini en Khamenei hebben toch een fatwa tegen kernwapens uitgesproken? Ja. En de paus heeft verklaard dat engelen bestaan. Wie de atoomfatwa serieus neemt, ontkent niet alleen de realiteit van machtspolitiek in het algemeen, maar geeft zich ook geen rekenschap van de specifieke school binnen shia islam waartoe Khomeini en Khamenei behoren. Binnen de usuli shia islam is verregaande eigen interpretatie van de hadith toegestaan of zelfs vereist, en een religieus leider mag eigen, nieuwe beginselen vaststellen zonder basis in koran of traditie. Daarbij komt dat religieuze leiders uit de politiek gedreven usuli shia school, Khomeini voorop, altijd volkomen openlijk hun religieuze uitspraken ondergeschikt hebben gemaakt aan het bereiken van politieke doelstellingen en verbreiding van macht. In goed Nederlands: het doel heiligt de middelen, en misleiding is volstrekt geoorloofd.

De beschikking over een kernwapen is ook op een andere manier bedreigend: Iran wil een regionale machtsfactor zijn en verleent actieve steun aan Teheran gunstig gezinde regimes en organisaties. Daarbij maakt het niet uit of Iran zijn kernwapen gebruikt of niet: het enkele bezit ervan verandert de regels van het spel fundamenteel. Iran zal zich dan zeker ongeremder voelen en misschien minder voorzichtig zijn in het leveren van steun, wapens, geld, kennis aan zijn vrienden: Hezbollah, Islamitische Jihad, Assad en anderen in Syrie, bondgenoten in Afghanistan en Irak, enzovoort. Die dreiging is voorstelbaar en voorspelbaar.

Een Iraans atoomwapen is dus voor niemand een existentiele dreiging. Maar een bedreiging is het zeker. Net zoals een Israelische aanval op Iran de regio kan destabiliseren met niet te voorziene gevolgen, zo zou de verkrijging van kernmacht door Teheran dat ook zijn. Daarmee is niet gezegd dat Iran ook werkelijk op het punt staat een atoommacht te worden, maar wel dat iedereen, Iran en de rest van de wereld, er belang bij heeft dat er duidelijkheid komt over de vreedzame doeleinden van Irans atoomprogramma.

Atoomayatollahs: spoorboekje bij de nieuwe gesprekken tussen Iran en de wereld

Op dinsdag 26 februari komen Iran en de internationale gemeenschap weer bij elkaar om te onderhandelen over Iran’s vermeende kernwapenprogramma. In Kazachstan dit keer. Niet de meest voor de hand liggende locatie misschien, maar het is nu eenmaal een land dat neutraal genoeg is voor beide partijen. De laatste keer dat er op topniveau werd gesproken was in Moskou, afgelopen juni.

Vanaf morgen praten Iran en de P5+1 opnieuw over een oplossing voor een oplopend conflict. Vijf vragen over de gesprekken in Kazachstan, en vijf antwoorden.

Khamenei

Wie zitten er eigenlijk aan tafel?

De hoofdonderhandelaar voor Iran is Saeed Jalili, de voorzitter van de Nationale Veiligheidsraad en een vertrouweling van de Opperste Leider, de geestelijke Ali Khamenei. En dus niet, zoals je misschien zou verwachten, de minister van Buitenlandse Zaken, Salehi, of een van zijn vertegenwoordigers. De verklaring daarvoor is dat in het Iraanse systeem de zeggenschap van de president – Ahmadinejad – en zijn kabinet over buitenlandbeleid zeer beperkt is. Over de grote vraagstukken wordt rechtstreeks door Khamenei en zijn eigen mensen besloten.

‘Internationale gemeenschap’ is een term die eensgezindheid suggereert. Maar zo is het natuurlijk niet, en de meeste naties in de wereld zitten niet aan de onderhandelingstafel. Deze internationale gemeenschap bestaat uit de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, dus de Verenigde Staten, Rusland, China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Het vijftal wordt aangevuld met Duitsland. Daarom wordt dit gezelschap wel de P5+1 genoemd. De delegatie wordt aangevoerd door Lady Ashton, de ‘minister van Buitenlandse Zaken’ van de Europese Unie.

Bijkomende complicatie: Iran zit tegenover een nogal bonte verzameling landen. Geen van hen wil dat Iran zich ontwikkelt tot atoommacht, maar daar houdt de vergelijking ook meteen op. Elke tegenspeler in de P5+1 heeft een ander soort relatie  met Teheran, en onderling verschillende belangen.

De verhoudingen tussen Iran en Amerika zijn al verzuurd sinds 1979, het jaar van de islamitische revolutie en de gijzeling van Amerikaans ambassadepersoneel in Teheran (Ben Affleck kreeg net een Oscar voor zijn film Argo, die over die gijzeling gaat). De Verenigde Staten was ook de eerste die Iran sancties oplegde, in 1996 geformaliseerd in een wet, de ISA (Iran Sanctions Act) die later werd uitgebreid met nog veel meer sanctie-instrumenten.

Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, het EU-smaldeel in de P5+1, hebben allen een verschillende en soms gecompliceerde historie met Iran. Maar Europa heeft een veel directer belang bij Iran dan de VS. In de eerste plaats vanwege de geografische nabijheid: Iran grenst aan de Europese Economische Ruimte (Turkije) en de Europese ‘nabuurstaten’ Armenië en Azerbeidzjan. Bovendien is Europa een belangrijke afnemer van olie, het belangrijkste Iraanse exportproduct, en zou dat ook voor gas kunnen worden. Tenslotte speelt Iran potentieel een belangrijke rol als ‘hub’ van gas en goederen tussen Europa en Centraal-Azie. In termen van veiligheid, handel en energie zijn de ontwikkelingen rondom Iran dus van veel rechtstreeksere invloed op Europa dan op de VS.

Rusland en Iran zijn elkaars traditionele geopolitieke tegenstrevers in met name de Kaukasus, Afghanistan en sommige Centraal-Aziatische landen (zoals bijvoorbeeld Tajikistan, een Iraans-sprekend land). Met name in de Noord-Kaukasus en in Azerbeidzjan vreest Moskou de islamisering die vanuit Iran wordt gestimuleerd. China tenslotte is een willige energie-consument en handelspartner voor Iran die bovendien, net als Rusland en Iran, actief zoekt naar eigen voordeel in de wankele machtsbalans van Centraal-Azie.

Ook voor wat betreft opvattingen over internationale interventie verschillende de drie ‘blokken’ binnen de P5+1 onderling sterk. De VS leunen vaker op het sanctie-instrument om het gewenste resultaat te bereiken. Europa heeft traditioneel een voorkeur voor de wortel in plaats van de stok, en probeert meer via positieve prikkels veranderingen te bevorderen. Rusland en China staan wantrouwig tegenover het benutten van internationale besluitvorming en multilaterale actie om soevereine landen te dwingen tot wijzigingen.

Waarom zijn er eigenlijk sancties tegen Iran?

Het doel van de sancties is Iran te dwingen om op een verifieerbare manier te bewijzen dat het Iraanse nucleaire programma uitsluitend is bestemd voor vreedzame burgerdoeleinden. Iran is partij bij het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) dat onder andere bepaalt dat aangesloten landen geen (verdere) kernwapens ontwikkelen en verspreiden. Het toezicht op de nucleaire activiteiten in de aangesloten landen ligt bij het Internationaal Atoomagentschap, de IAEA.

In de afgelopen jaren is de indruk ontstaan, om te beginnen bij de IAEA, dat Iran onvoldoende openheid van zaken geeft over de aard van het atoomprogramma. Sinds 2006 heeft om die reden de VN Veiligheidsraad zes resoluties aangenomen waarin Iran wordt opgeroepen delen van zijn atoomprogramma stop te zetten. Iran weigert dat. Daarom hebben vanaf 2006 verschillende landen en internationale organen – waaronder de VN en de Europese Unie – net als de VS ook sancties ingesteld.

Aard en omvang van die sancties verschillen sterk. Terwijl de Amerikaanse maatregelen in de loop der jaren zo omvangrijk zijn geworden dat ze vrijwel alle handel met Iran verbieden, of in elk geval praktisch onmogelijk maken, hebben de EU en de VN een aantal sancties getroffen dat lijkt op dat van de VS, maar het totale aantal sancties is veel minder groot en verstrekkend.

Waar gaan de onderhandelingen op dit moment over?

Het conflict spitst zich op dit moment toe op het feit dat Iran hoogverrijkt uranium (20% en hoger) produceert. Dat is zeker nog geen wapenklaar uranium (daarvoor is een verrijkingspercentage van bijna honderd procent nodig) en het is niet per se verboden onder het NPV; maar in civiele atoomprogramma’s is het veel gebruikelijker om laagverrijkt uranium, 5%, te maken.

Iran zegt dat het hoogverrijkt uranium nodig heeft, onder meer voor de productie van medische isotopen. Maar de kernreactor in het Nederlandse Petten bijvoorbeeld, een grote wereldwijde maker van medische isotopen, stopte enkele jaren geleden met het verrijken tot 20%. Het probleem met hoogverrijkt uranium is dat het veel sneller tot wapenkwaliteit is te verrijken dan laagverrijkt uranium. Bovendien produceert Iran zijn hoogverrijkt uranium op een locatie, Fordow, die in het geheim werd gebouwd en diep onder een berg ligt. Daarnaast krijgt de IAEA er veel te beperkt toegang toe.

Aan de andere kant staan de sancties. Hoe groot de schade is die ze aanrichten aan de Iraanse economie is onderwerp van verhit debat, maar zeker is dat de olie-export, Irans belangrijkste inkomstenbron, met ongeveer 50% is gedaald en ook andere soorten export, zoals van olie-gerelateerde producten, vrijwel onmogelijk is gemaakt. Daardoor komen veel minder inkomsten (en dus ook buitenlandse valuta) binnen. Het gevolg is onder meer dat de Iraanse overheid belangrijke subsidies op levensbehoeften niet langer kan financieren en dat de voorraden buitenlandse valuta opraken, waardoor de import steeds moeilijker wordt.

Een nieuw Amerikaans sanctiepakket maakt nu bovendien vrijwel alle transacties met Iran onmogelijk, door nu ook te verbieden (naast al bestaande verboden op betalingen in Amerikaanse dollars en euro’s) dat handel plaatsvindt met als tegenprestatie goud of andere edelmetalen, waardoor de Iraanse export, met name natuurlijk olie, verder wordt lamgelegd.

Wat houden de gesprekken in Kazachstan in en leveren ze wat op?

Het eerste probleem is dat de twee partijen twee verschillende soorten onderhandelingen willen. Iran wil een stap-voor-stapbenadering, een proces waarin partijen gelijk oplopen in het geven en nemen: Teheran geeft wat toe op het probleem van het hoogverrijkte uranium, de P5+1 verzachten de sancties wat, en zo verder. Maar wat de VS en Europa willen is dat de Iran de eerste stap zet en de onderhandelingen begint met 3 belangrijke concessies: het stopzetten van de verrijking tot 20%, sluiting van de Fordow-installatie en naar het buitenland verschepen van zijn voorraad hoogverrijkt uranium.

Sluit ook niet uit dat Iran zal proberen het gesprek te verbreden buiten het atoomprogramma en de sancties zelf: Iran wil een belangrijke regionale macht zijn (in bijvoorbeeld Irak, Afghanistan, de Zuid-Kaukasus, de Golf, Bahrein, Palestina en tot op zekere hoogte Libanon en Syrie), maar ziet zich daarbij telkens de weg versperd door de VS en zijn regionale bondgenoten. Teheran zal willen proberen te benadrukken dat het land is omsingeld door vijandige machten. Dat het land zelf een vaak zeer schadelijke rol speelt in de landen om zich heen zal het daarbij natuurlijk onvermeld laten, en de VS hebben, door hun zichtbaarheid, de schijn tegen.

Zullen de gesprekken in Almaty iets opleveren? Nee. Niets substantieels in elk geval. Het is erg onwaarschijnlijk dat Iran, dat zich het mes op de keel voelt gezet, de unilaterale eerste stap zal maken zoals de VS en Europa dat lijken te wensen. Het kan zijn dat Rusland en China zullen proberen een compromis te vinden; zoals gezegd, de belangen en geopolitieke gewoontes binnen de P5+1 zijn zeer verschillend. Zelfs Europa zou nog een middenpositie kunnen innemen. Maar de kans op succes is erg klein.

Als het dan toch niks wordt, waarom zitten de landen dan überhaupt bij elkaar?

Simpel: om erger te voorkomen. Beide zijden begrijpen dat voortgang van gesprekken op zich (en dat is dus niet hetzelfde als voortgang in de gesprekken zelf) nodig is om militaire escalatie te vermijden.

Het doel van de gesprekken is dus: gesprekken. De volgende ronde zal waarschijnlijk plaats gaan vinden in september, nadat eerst, in juni, de presidentsverkiezingen in Iran zijn gekomen en gegaan. De P5+1 zetten in op een uitputtingsscenario. Ze hopen dat in het najaar het effect van de sancties op de Iraanse economie zo grondig zal zijn dat Teheran als vanzelf met concessies komt.

Iran daarentegen hoopt dat het vindingrijk genoeg zal zijn om hun olie op een alternatieve manier te exporteren en een nieuwe klantenkring aan te boren. Ook hoopt Teheran in de loop van het jaar de internationale opinie meer aan zijn kant te krijgen en vooral: een wig te drijven tussen de leden van de P5+,1 waardoor de eensgezindheid verdwijnt of zelfs de sancties worden verzacht.

Beide verwachtingen lijken op dit moment ijdele hoop. En zoals het er nu uitziet, zal ook in september geen definitieve oplossing worden gevonden.

Open brief aan de puriteinen op Kanaleneiland

Op weblog dejaap verscheen vandaag een artikel van de hand van Timor el-Dardiry, Brechtje Paardekooper en mijzelf. Op Kanaleneiland in Utrecht vonden preutse reli’s onlangs dat ze reclameposters moesten kuisen. Wij vonden van niet.

Progressief Nederland doet nog veel te ongemakkelijk over het thema religie en traditie versus seculariteit en modernteit. Het is mij veel waard dat er op centrum-links, in het progressieve midden, onder links-liberalen (take your pick, wat mij betreft) een besef groeit dat thema’s als vrijheid om je eigen keuzes te maken en een afkeer van klerikale, of door geloof en traditie geinsprireerde inmenging in de publieke moraal in essentie progressieve waarden zijn, en dat door de geschiedenis heen ook altijd zijn geweest. Geen rechtse, of conservatieve.

Hier vind je de open brief  op de website van deJaap zelf; hieronder kun je het stuk ook lezen:

In Kanaleneiland in Utrecht werden afgelopen week posters op bushokjes met daarop verleidelijke vrouwen afgeplakt met een vuilniszak. Daarop staat de tekst ‘Laa ilehe il Allah.’ Oftewel: Er is geen God dan Allah. Een van de posters, van het Utrechtse Museumweekend, vertoonde een meisje in een kort roze jurkje. Timor El-Dardiry, Brechtje Paardekooper en Arjen de Wolff schreven hen een open brief.

Lieve beplakkers en bekladders,

Allereerst: gefeliciteerd. U heeft een punt gemaakt waar niemand omheen kan. Uw geloofsgenoten, uw buurtgenoten, uw kinderen en onze kinderen moesten en zouden het weten: “La ilahe il Allah – geen sexuele getinte reclame” (sic)! Uw bloedserieuze bedoelingen schreeuwden bijkans nog luider om aandacht dan het mikpunt van uw actie: een handvol ‘uitdagende’ reclameposters. Daarmee gaf u uiting aan enkele typisch puriteinse emoties: angst voor het genot, gebrek aan relativeringsvermogen en de wens anderen de wil op te leggen.

Die tentoongespreide krampachtigheid maakt de plakactie wel een beetje komisch, om niet te zeggen kneuterig. Als ware Don Quichottes bent u er op uit getrokken om, vermoedelijk in het holst van de nacht, een rücksichtlose verrassingscharge op enkele verloren abri’s uit te voeren. U heeft een paar roze rokjes op posters afgeplakt met Komo-vuilniszakken, die ook nog eens te klein bleken om de fraai gevormde benen en hoogblonde haardos van model Marieke aan het zicht te onttrekken. Shock and awe? In Kanaleneiland werden vooral schouders opgehaald, ook door uw geloofsgenoten.

Dieptriest
Ook wij hadden uw actie al bijna de (blote) rug toegekeerd. Bijna. Want alle gekheid op een stokje: uw campagne zou grappig zijn, als ze niet zo dieptriest was. U verheft seksualiteit tot politiek en religieus strijdpunt en verklaart vrijwel elke vorm van seksualiteit taboe. Dat vinden wij nu onwenselijk en schadelijk. Want bij alle berichten over seks en losgeslagen jongeren, blijft één alarmerend feit vaak onderbelicht: het percentage jongeren dat te maken heeft gehad met dwang om seksuele handelingen te verrichten, is nog steeds erg hoog. Onderzoeken als ‘Seks onder je vijfentwintigste’ noemen percentages als 18% (voor meisjes) en 4% (voor jongens). Bijzondere risicogroepen zijn daarbij jongeren met een beperking, meisjes uit een (streng) religieuze omgeving waar seks voor het huwelijk niet mag; en islamitische jongeren die homoseksuele contacten zoeken.

Dat komt doordat een met de paplepel ingegoten restrictieve houding ten aanzien van seksualiteit maakt dat jongeren (vooral meisjes) uit streng-religieuze groepen niet of te weinig de mogelijkheid krijgen om te leren hoe met seksualiteit om te gaan. Te leren wat ze wel en niet prettig vinden, te leren grenzen te stellen en te leren nee te zeggen. Onderzoek laat zien dat daarom juist jongeren uit christelijke groeperingen en (misschien wel: vooral) jongeren met een streng-islamitische achtergrond kwetsbaar zijn voor misbruik en dwang. Het wrange is dat naarmate u méér streeft naar het onzichtbaar en onbespreekbaar maken van seksualiteit, u uw kinderen juist kwetsbaarder maakt voor seksueel misbruik. Afgezien daarvan: het is een illusie om te denken dat als je maar vasthoudt aan de maagdelijkheidsnorm en niet experimenteert voor de huwelijksnacht, seks op wonderbaarlijke wijze meteen geweldig is. Seks moet geleerd worden, zoals de meeste dingen in het leven.

Onstopbare islamisering
Laten we trouwens niet doen alsof uw protest een teken is van de onstopbare islamisering die ons land zou overspoelen, al leek uw publieke geloofsgetuigenis bedoeld om dat gevoel aan te wakkeren. Uw puritanisme is geen nieuw fenomeen en blijft zeker niet beperkt tot buurten waar veel moslims wonen. In 2007 – het VU-kabinet van Balkenende, Bos en Rouvoet had net zitting genomen – protesteerde de ChristenUnie in Utrecht tegen een billboard in de stad met 200 vierkante meter gouden bikini. In Brussel worden rond kerst jaarlijks posters van schaarsgeklede H&M-modellen beklad door feministen. En in de Parijse metro voorziet kunstenares “Princess Hijab posters van – zeer plaatselijke – bedekking. Maar er is een belangrijk verschil: waar deze protesten ten minste de (politieke, ludieke of artistieke) opening van een debat beoogden, is de uwe een compromisloze coup. Met een beroep op uw religie heeft u zonder pardon uw eigen voordeur midden in het publieke domein geparkeerd: u eist eigenhandig per religieus decreet te bepalen wat wij en onze kinderen wel of niet mogen zien.

Nee, ook wij vinden ook niet alle posters even smakelijk. Dat is niet zozeer omdat er seks op staat. Meer omdat uit sommige een bijzonder vervelende machtsverhouding spreekt van mannen ten aanzien van vrouwen. Maar het helpt niet om alle bloot en seks uit de publieke ruimte te verbannen en elkaar naar eigen inzicht te censureren. Het werkt niet om seksualiteit taboe en onzichtbaar te maken. Pas als je seksualiteit en de manier waarop die wordt afgebeeld, bespreekbaar maakt, leren kinderen te benoemen wat er gebeurt. Dan leren ze ook onderscheid te maken tussen wat hun waardigheid bevestigt en wat respectloos is. En hopelijk worden ze dan als volwassenen een beetje gelukkig met hun seksualiteit. Uw kinderen, en de onze.

Timor El-Dardiry (@timorel) en Brechtje Paardekooper (@brechtje) zijn lid van GroenLinks en de sociaal-liberale denktank Ensemble. Arjen de Wolff (@adewolff) is lid van de Dag van 100, een initiatief dat nieuw elan wil brengen in het progressive midden van de Nederlandse politiek.